Help!

Mijn BarcC-pen is leeg! Bestel snel een nieuwe vulling.

 

U heef geen Flash Player 8 geinstalleerd.
Klik hier om deze plugin te downloaden.

Brains-up! > Veranderen volgens Darwin

Veranderen volgens Darwin

Charles Robert Darwin (1809-1882) formuleerde in zijn meesterwerk ‘On the origin of Species’ een natuurwetenschappelijke verklaring voor de verscheidenheid van het leven op aarde. Deze kwam erop neer dat het principe van natuurlijke selectie ervoor zorgt dat soorten evolueren. Dat ze zich voortdurend aanpassen aan hun omgeving. Soorten, die dit goed doen, overleven. Soorten, die dit verkeerd doen, sterven uit. Dit principe staat bekend als Survival of the fittest.
 
Anderhalve eeuw later is de evolutietheorie nog steeds de krachtigste verklaring voor de ontwikkeling van het leven op aarde. Na het ‘Darwinjaar’ in 2009 gaan wij in 2010 ontdekken hoe het bedrijfsleven evolueert.
 
Ook organisaties passen zich continu aan hun omgeving aan. Die omgeving is zeer dynamisch, onder andere vanwege tendensen zoals globalisering, privatisering, technologische ontwikkeling en de veranderende consumentenvraag. Bedrijven, die zich adequaat aanpassen, zullen overleven. Echter, bijna de helft van alle veranderingen levert niet het gewenste resultaat op, loopt vast of mislukt!
 
De Brains-up! sessie van 17 juni 2010 stond geheel in het teken van Veranderen volgens Darwin. We bespraken onder andere de evolutietheorie, historische achtergronden en de toepassing van evolutie in de wetenschap en het bedrijfsleven. Je vindt de verschillende thema's in het verslag hieronder. Klik op de items hieronder om meer over een onderwerp te lezen.

 

On the origin of Species

Charles Darwin schreef On the origin of Species in 1859. Hij had op zijn wereldreis aan boord van the Beagle geobserveerd dat verschillende soorten vinken snavels hadden die aangepast waren aan hun omgeving. Vogels met een grote snavel leefden op eilanden met grote harde vruchten, terwijl vinken met kleinere snavels op eilanden met kleine, zachte vruchten leefden. Darwin zag in dat de vogels zich aanpasten aan hun omgeving door natuurlijke selectie: op een eiland met harde vruchten hadden vogels met een grote snavel een grotere overlevingskans dan vinken met kleinere snavels. De laatsten stierven zonder zich voort te planten. Naar verloop van tijd waren op dit eiland daardoor alleen nog maar vinken met grote snavels.
 
Darwin concludeerde dat natuurlijke selectie de drijfveer was achter het ontstaan van al het leven op aarde. Hij stelde dit voor als een boom. Op plaatsen waar de boom zich vertakt ontstaan twee nieuwe soorten, die een gemeenschappelijke voorouder delen. Ook de mens is op deze manier ontstaan. In een tijd waarin de kerk veel autoriteit had, was dit een radicale en progressieve visie, omdat Darwin hiermee suggereerde dat de mens niet door God geschapen was.
 
Maar in de wetenschappelijke kringen waarin Darwin zich bevond, sloegen zijn ideeën wel aan. Dit heeft alles te maken met het feit dat Darwin niet de eerste was die een evolutietheorie op papier zette.
 

De evolutie van evolutie

Om te beter te begrijpen waarom de denkbeelden van Darwin aansloegen, is het goed om de historische achtergrond ervan te kennen. Voor de 19e eeuw speelde het dagelijks leven van de meeste mensen zich af op het platteland. Voedsel verbouwen was een arbeidsintensieve bezigheid, waarmee de meeste mensen zichzelf in het levensonderhoud moesten voorzien. Dit veranderde echter drastisch door technologische vernieuwingen, zoals de stoommachine en nieuwe ploegmachines. Dit ontketende de industriële revolutie. De maatschappij veranderde in hoog tempo. In plaats van het land verbouwen, wat nu met minder mensen kon, trokken velen naar de snel groeiende steden om in de nieuwe fabrieken te werken. 
 
Het dagelijks leven draaide daardoor niet meer om de jaarlijkse cyclus van ploegen, zaaien en oogsten. In plaats daarvan kreeg het dagelijks leven een dynamisch karakter: alles verandert, gaat vooruit. Juist in deze periode gaan wetenschappers zich interesseren in vooruitgang en verandering. In dat opzicht is het niet verwonderlijk dat Darwin juist in deze tijd zijn ontdekkingen deed, waarbij hij voortbouwde op het werk van anderen.
 
Eén van de voorlopers van Darwin, Jean-Baptiste Pierre Antoine de Monet, Chevalier de la Marck [1744–1829] of kortweg: la Marck, stelde in de vroege 19e eeuw een evolutietheorie op. In zijn visie is al het leven afkomstig van een enkele oervorm. Dieren ontwikkelen zich van hele simpele naar complexere vormen door eigenschappen die ze tijdens hun leven ontwikkelen en die overerfbaar zijn. Zo zou een giraffe tijdens zijn leven een steeds langere nek kunnen ontwikkelen om bij de hoogste blaadjes van een boom te kunnen. Deze eigenschap geeft de giraffe weer door aan zijn nageslacht. Deze theorie was in de tijd van Darwin een redelijk geaccepteerde verklaring voor evolutie.
 
Een andere voorloper van Darwin was Thomas Robert Malthus [1766-1834]. Malthus was één van de eerste demografen. Hij verzamelde gegevens over de rap groeiende bevolking van Europa. Zijn voorspelling was even logisch als zwartgallig: de bevolking groeit sneller dan de voedselproductie, daardoor zal er uiteindelijk hongersnood komen waardoor veel mensen zullen sterven. Ook ligt het gevaar van ziektes altijd op de loer. Zijn conclusie was dat de omvang van een bevolking altijd begrensd is door dit soort catastrofes. Dit idee werd door Darwin gegeneraliseerd als natuurlijke selectie. Uiteindelijk is het doemscenario van Malthus nooit uitgekomen doordat technologie zich bleef ontwikkelen. Maar zijn denkwijze klinkt nog altijd door in sombere voorspelingen over de duurzaamheid van onze levensstijl en de beperking van natuurlijke grondstoffen, zoals olie.
 
Alfred Russel Wallace [1823-1913] publiceerde bijna tegelijk met Darwin een boek over evolutie. Wallace was onafhankelijk van Darwin op hetzelfde idee uitgekomen: diersoorten ontwikkelen zich door natuurlijke selectie. Wallace stond binnen wetenschappelijke kringen bekend als een radicale denker en werd daardoor minder serieus genomen. Dit is waarschijnlijk de reden dat Darwin uiteindelijk veel bekender is geworden als ‘ontdekker’ van de evolutie.
 
Vaak wordt de evolutietheorie samengevat als ‘survival of the fittest’. Deze term komt van de socioloog Herbert Spencer. Deze tijdgenoot van Darwin was erg onder de indruk van de evolutietheorie en bedacht deze term na het lezen van On the origin of Species. ‘Fittest’ heeft een dubbele lading. Aan de ene kant slaat het op aanpassing, aan de andere kant op kracht. De laatste interpretatie is vaak gebruikt om ongelijkheid te rechtvaardigen. Hierbij wordt vaak vergeten dat het overleven van de sterkste iets anders is dan het recht van de sterkste.
 

Uitsterven of aanpassen

Voor zover we weten, is 98 % van alle diersoorten die geleefd hebben uitgestorven. Hier is een analogie te trekken met het bedrijfsleven: 40 % van alle bedrijven verdwijnt binnen tien jaar na oprichting. De gemiddelde levensduur van de grootste bedrijven (Fortune 500) is om en nabij veertig jaar (de Geus 2002).
 

Dit geeft stof tot nadenken: kennelijk zijn er maar een klein aantal bedrijven dat zich weet aan te passen aan de omgeving en zo overleeft. Daarbij kunnen ze opmerkelijk veranderen. Het voorbeeld van IBM is hierbij sprekend. Toen IBM begon maakten ze onder andere printers en hardware, later stapten ze over op het maken van software en nu zijn ze gespecialiseerd in consultancy. Het bedrijf is in staat geweest om te veranderen en daardoor te overleven.
 
Bedrijven die gevoelig zijn voor hun omgeving en in staat zijn zich aan te passen aan veranderingen, blijven langer bestaan dan bedrijven die zich enkel richten op het verdienen van zoveel mogelijk geld. De Geus (2002) deed onderzoek naar grote bedrijven die lang bestaan en ontdekte dat deze de volgende eigenschappen gemeen hebben:
  • Geen winstmaximalisatie
  • Ze passen zich aan
  • Ze zijn tolerant voor nieuwe ideeën binnen het bedrijf
  • Het bedrijf vormt ondanks diversiteit een eenheid, het ‘wij-gevoel’
  • Behoudend met geld
Een andere opvallende overeenkomst met de natuur, is dat bedrijven met z’n allen tegelijk ten onder gaan. In de loop van honderden miljoenen jaren zijn er periodes geweest waarin een groot aantal van de verschillende diersoorten verdwenen is. Ook in de economie komen crises voor, waarin veel meer bedrijven failliet gaan dan normaal.
 
Je zou kunnen stellen dat bedrijven die zo’n crisis overleven op een bepaalde manier een goede fit hebben met hun omgeving. Een bank als Lehman Brothers werd voor de economische crisis in 2008 gezien als het voorbeeld voor alle zakenbanken, omdat zij zo winstgevend waren. Maar toen de crisis uitbrak was zelfs een gigant als Lehman Brothers daar niet tegen opgewassen. Andere zakenbanken daarentegen konden wel het hoofd boven water houden. De winstgevendheid waarvoor Lehman Brothers eerst zo geprezen werd, keerde zich tegen zichzelf omdat het gepaard ging met het nemen van te hoge risico’s.
 

Survival of the fittest

Concurrenten van Lehman Brothers, zoals Goldman Sachs, stonden erbij en keken ernaar toen de bank ten onder ging. Er zijn zelfs vermoedens dat de concurrentie dit heeft laten gebeuren om er zelf beter van te worden. Dit lijkt een logische stap want als je minder concurrentie hebt, is er voor jouw bedrijf meer te halen.
 
Dit verschijnsel treedt ook op in de natuur. Een bekend voorbeeld hiervan is het evenwicht tussen het aantal hazen en het aantal lynxen. In een jaar met een strenge winter overleven alleen de sterkste hazen op het kleine beetje voedsel dat voor handen is. De populatie hazen krimpt. Als gevolg hiervan hebben de Lynxen ook minder te eten, waardoor hun aantal daalt. De volgende zomer is er voldoende te eten en de hazen planten zich voortvarend voort. De lynxen hebben mazzel: het stikt van de hazen dus ze hoeven alleen maar te wachten tot er eentje langs komt en ze hebben hun avondmaal weer te pakken. Het gevolg is dat er meer lynxen kunnen komen, die meer hazen eten. De hazenpopulatie krimpt daarom wederom. Als je de aantallen hazen en lynxen op een grafiek uitzet, krijg je twee lijnen die elkaar achterna zitten.
 

Dit beeld van de natuur is hard: de lynxen moeten met elkaar concurreren en alleen de sterkste jagers, die het langst zonder voedsel kunnen overleven de winter. Maar, wat als alle lynxen nou met elkaar zouden afspreken om in tijden dat er veel hazen zijn, niet alle hazen in een keer op te eten, zodat de lynxen ook ’s winters nog genoeg te eten hebben? Dat zou mooi zijn, want dan zouden er zowel meer hazen, als meer lynxen in hetzelfde gebied kunnen leven.
 
Deze vraag is een afgeleide van het prisoners’ dilemma. Dit dilemma gaat over twee verdachten die een keuze moeten maken tussen samenwerken of elkaar verraden. In het geval dat ze samenwerken, krijgen beide spelers een lichte gevangenisstraf van één jaar. Als de verdachten elkaar verraden, krijgen ze een grotere gevangenisstraf van vijf jaar. Als één van de spelers kiest voor verraad, terwijl de ander wil samen werken, dan gaat de verrader vrijuit, terwijl de andere verdachte een zware gevangenisstraf van twintig jaar krijgt.
 
Als iemand slim is, zal die dus nooit kiezen voor samenwerking, want dan kan de ander misbruik maken van zijn keuze, waardoor hij nog verder in de problemen komt. Echter, als beide verdachten zo denken en handelen, komt samenwerking nooit tot stand!
 

TIT FOR TAT verhoogt de overlevingskans

We besloten het prisoners’ dilemma in de praktijk te testen met het XY-spel. De groep werd in tweeën gesplitst. Beide teams moesten steeds een keuze maken tussen samenwerken met het andere team of voor hun eigen belang spelen. Het spel werd over meerdere rondes gespeeld, waardoor spelers konden reageren op de keuze van de vorige ronde. Daarnaast konden de teams in sommige rondes onderhandelen.
 
 
Wat is bij dit spel nou een goede overlevingsstrategie? Concurreren of samenwerken?
 
De conclusie was dat samenwerking in veel gevallen lonend is op de lange termijn. Als beide teams samenwerken hebben ze allebei een voordeel. Als één team samenwerkt, terwijl het andere verraadt heeft het laatstgenoemde team een groot voordeel, terwijl het samenwerkende team minpunten scoort. Wanneer beide teams kiezen voor verraad, hebben beide teams minpunten. De enige situatie waarin het gezamenlijk resultaat dus positief is, treedt op wanneer beide teams samenwerken.
 
Hoewel de teams tijdens onze proef in eerste instantie probeerden om punten bij elkaar weg te sprokkelen, kwamen ze na de onderhandelronde tot de beslissing om samen te werken en elkaar te vertrouwen. Het resultaat was dat beide teams een hoge score haalden.
 
Deze uitkomst klinkt weinig verrassend, maar het heeft lang geduurd voordat wetenschappers een theoretisch sluitend antwoord hadden op het prisoners’ dilemma. Dit antwoord kwam van Robert Axelrod (1985). Deze politicoloog zette eind jaren zeventig een toernooi op. Hij nodigde collega wetenschappers uit om een computerprogramma te schrijven dat een keuze maakt tussen verraden of samenwerken in een prisonners’ dilemma. De verschillende programma’s speelden daarna allemaal 200 keer tegen elkaar. Tussen de inzendingen zaten allerlei uitgebreide en ingewikkelde programma’s, maar uiteindelijk bleek één van de simpelste programma’s het effectiefst. Dit was het programma TIT FOR TAT. Het had slechts twee regels:
  • De eerste ronde samenwerken
  • In alle volgende rondes de keuze herhalen die de andere speler in de vorige beurt nam
Vervolgens liet Axelrod zien welke gedragsregels TIT FOR TAT zo effectief maakten:
  • Aardigheid. Als je nooit de eerste bent die veraadt, lok je ook geen reactie uit bij de ander.
  • Vergelding. Als iemand jou verraad, laat je dat niet ongestraft.
  • Vergevingsgezind. Als iemand weer samenwerkt, ben je ook bereid om weer samen te werken.
  • Niet jaloers. Je hoeft geen hogere score te halen dan de ander.
Axelrod beargumenteerde hoe deze gedragsregels samenwerking, niet alleen tussen computerprogramma’s, maar ook tussen mensen, kunnen bevorderen. Het volgen van deze gedragsregels heeft ook een evolutionair voordeel: groepen mensen die samenwerken verhogen hun overlevingskans. Daarom is het verstandig om deze gedragsregels serieus te nemen.
 

Darwin op de werkvloer

Veel organisaties zijn gebouwd op het principe dat werk op een rationele manier te sturen is. Meten en controleren van taken staan hoog in het vaandel. Als iemand iets niet kan, is deze vaardigheid te trainen. Alle processen zijn volgens dit model voorspelbaar en beheersbaar.
 
In de sessie werd duidelijk dat we van zogenaamde mechanistische managementstijl veel minder verwachten dan van een meer organische stijl. In het organische model staan de emotionele behoeften van mensen centraal. Als ze de ruimte krijgen om zichzelf te ontwikkelen en als niet alle details van te voren zijn vastgelegd, werken mensen met meer motivatie en leveren betere resultaten. Wildschut (2009) geeft een model dat het verschil aangeeft tussen een organische en een mechanistische managementstijl.
 
 

Bronnen

Axelrod, R., 1985. “The evolution of Cooperation” New York: Basic Books
 
Darwin, C.R., 1859. “On the Origin of Species”
 
Geus, A. de, 2002. The Living CompanyCambridge: Harvard Bussiness School Press
 
Wildschut, M., 2009. “Darwin voor managers” Zaltbommel: Uitgeverij Haystack
 
 
 

Aanvullende literatuur 

Dawkins, R., 2006 [1976]. “The Selfish Gene” Oxford: Oxford University Press
 
Diamond, J., 1997. “Guns, Germs and Steel” New York/London: W.W. Norton & Company
 
 

Presentatie

Bekijk hier de presentatie van de sessie